Arthur Phillip, de eerste gouverneur van Sydney, Australië

Tags

,

Australia_detail

In Watling Street staat een monument ter herinnering aan de stichting van Sydney, Australië door Kapitein, later Admiraal, Arthur Phillip.

Monument Arthur Phillip

Monument Arthur Phillip

Arthur Philip werd geboren op de 11e oktober 1738 in de Bread Street Ward [wijk], Londen en werd precies een maand later gedoopt in All Hallows Bread Street Church.(1) Zijn ouders waren Jacob Phillip, die mogelijk uit Frankfurt kwam en talen onderwees, maar die net zo waarschijnlijk een zeeman was, en Elizabeth Breach, de weduwe van John Herbert, een zeeman bij de Koninklijke Marine. Arthur had aspiraties om naar zee te gaan en ging daarom in 1751 naar de Royal Naval Hospital School in Greenwich. Hij kwam in de leer bij William Readhead, een walvisjager die in de zomers op zijn prooi jaagde in de buurt van Spitsbergen en die in de winters in de Middellandse Zee te vinden was om handel te drijven. In 1755 kwam Phillip in dienst bij de Marine waar hij de hierarchische ladder opklom. In 1787 rapporteerde de London Gazette dat “the King has been please to appoint Arthur Phillip, Esq; to be Captain-General and Governor in Chief of the Territory of New South Wales”. Dat klink heel mooi, maar de realiteit was dat Phillip elf schepen, de Eerste Vloot, met meer dan 700 veroordeelden naast de gebruikelijke matrozen en officieren, naar Botany Bay moest brengen om aldaar een nieuwe kolonie te stichten. Botany Bay was een aantal jaren daarvoor ontdekt door James Cook. En zo geschiedde, maar niet in Botany Bay, dat, alhoewel rijkelijk voorzien van groen, niet kon voorzien in genoeg beschutting en vers water.

Gedenkplaten op Arthur Phillips monument

Gedenkplaten op Arthur Phillips monument

Hij stichtte de kolonie in Port Jackson, een inham iets verder noordwaarts. Phillip fungeerde vijf jaar als gouverneur van Sydney dat hij genoemd had naar de Britse Minister Thomas Townshend, Lord Sydney, die een grote rol had gespeeld in het verkrijgen van het charter dat Phillip het recht gaf om een kolonie te besturen. De nederzetting had het in het begin moeilijk met ziektes en een gebrek aan voedsel omdat de ondersteunende schepen laat waren in het brengen van de noodzakelijke voorraden, maar ondanks deze tegenslagen groeide Sydney van dit bescheiden begin uit tot een grote en welvarende stad. Phillip werd gezien als een redelijk rechtvaardig man die probeerde om goede relaties aan te gaan met de oorspronkelijke bewoners. Het is moeilijk om die rechtvaardigheid te beoordelen vanuit ons huidige gezichtspunt waarin het simpelweg confisceren van land waar anderen eeuwenlang geleefd hebben voor eigen of ‘slands gewin niet acceptabel wordt geacht, maar zo dacht men er toen natuurlijk niet over. In december 1792, op het moment dat de kolonie vorm begon te krijgen, vertrok Phillip weer naar Engeland. Hij droeg het bestuur over aan Francis Grose, een veel minder achtenswaardig man. Phillip bleef werken voor de Marine totdat hij in 1805 met pensioen ging om zijn dagen te slijten in Bath. Hij werd op 7 september 1814 begraven in St. Nicholas Church, Bathampton.(2)

Arthur Phillip door Francis Wheatley

Arthur Phillip door Francis Wheatley. Olie op canvas, 1786. NPG 1462
©National Portrait Gallery

Vanaf de ontdekkingen van James Cook was er grote belangstelling voor Australië en een boekverkoper in het bijzonder, John Stockdale, realiseerde zich dat daar geld mee te verdienen was. Nog voor de Eerste Vloot de haven had verlaten publiceerde hij The History of New Holland wat een vermeerderde editiie was van An Historical Narrative of the Discovery of New Holland and New South Wales (1786) en zodra de berichten over de nieuwe nederzetting binnenkwamen publiceerde Stockdale The Voyage of Governor Phillip to Botany Bay (1789), gedeeltelijk gebaseerd op officieële regeringsbronnen.

The Voyage of Governor Phillip

The Voyage of Governor Phillip to Botany Bay (1789)

Alhoewel Stockdale nooit enige directe hulp had van Phillip, slaagde hij er toch in om de assistentie te krijgen van diverse mensen die in een positie waren om het laatste nieuws over de kolonie te weten, zoals Sir Joseph Banks en Viscount Sydney. Het werk kwam in wekelijkse afleveringen uit voor de prijs van een shilling per stuk. Er verschenen diverse edities en het was rijkelijk voorzien van illustraties van dieren die in Australië te vinden waren en flink wat kaarten. De British Library heeft een exemplaar in bezit dat in kangaroevel is gebonden.(3)

Het monument voor de grondlegging van Sydney en Arthur Phillips heeft een heel eigen geschiedenis. Het begon allemaal in december 1932 toen een bronzen muurmonument werd onthuld door Prince George, de latere King George VI, in St. Mildred Bread Street Church (zie foto hier). Phillip was geboren in de wijk Bread Street, maar was gedoopt in de andere buurtkerk All Hallows Bread Street. Die kerk was echter gesloopt in 1878 en het monument kreeg een plek in St. Mildred’s. Maar niet voor lang. In april 1941 verwoestte een vijandelijk bombardement de kerk die na de oorlog niet werd herbouwd. Diverse stukken van het monument werden gered en opgenomen in een nieuw monument in de oostmuur van Gateway House in Cannon Street. Dat monument werd onthuld in mei 1968 door de Australische High Commissioner, maar, alhoewel deze versie het langer uithiield dan de eerste, moest het nogmaals plaatsmaken, dit keer niet voor Duitse bommen, maar voor sloophamers die Gateway House in 1999 met de grond gelijk maakten. Het monument verrees in z’n huidige vorm in de tuin naast 25 Cannon Street en blijft daar hopelijk nog heel lang staan.(4)

De bibliotheek van de Universiteit van Cambridge bezit een collectie materiaal betreffende de onthulling van het originale monument en over de admiraal zelf, zoals een programma van het evenement, de gastenlijst en het tafelplan voor de lunch die Lord Wakefield, de financier van het project, gaf en de teksten van diverse lezingen die gegeven werden ter eere van Phillip. De stukken behoorden toe aan Douglas Hope Johnston, de drijvende kracht achter het monument en wiens overgrootvader nog onder Phillip had gediend.(5)

Medaille door Josiah Wedgwood

voor- en achterkant van een medaille ontworpen door Henry Webber en gemaakt door Josiah Wedgwood met klei uit Sydney Cove
©The Trustees of the British Museum

(1) London Metropolitan Archives, All Hallows Bread Street, Composite register: baptisms 1723 – 1812, P69/ALH2/A/003/MS05033.
(2) Informatie over Phillip en de eerste jaren van Sydney uit Oxford Dictionary of National Biography; Alan Frost, Arthur Phillip 1738-1814. His Voyaging (1987); en Geoffrey Moorhouse, Sydney. The Story of a City (1999).
(3) Informatie over de geschiedenis van het monument uit P. Ward-Jackson, Public Sculpture of the City of London (2003), blz. 432-434.
(4) Eric Stockdale, ’Tis Treason, My Good Man! Four Revolutionary Presidents and a Piccadilly Bookshop (2005), blz. 260-2.
(5) Cambridge University Library, RCS/RCMS 285/3.

Hay’s Galleria

Tags

, , ,

Hay’s Galleria is genoemd naar Alexander Hay, de grondlegger van het Hay emperium. Hij begon in 1651 met de pacht van een brouwerij op de zuidoevervan de Thames in de buurt van London Bridge.(1) Vijf jaar later breidde hij de werkzaamheden uit naar het uitboren van leidingen. Water was een essentieel ingredient van bier, dus Alexander had groot belang bij een goede aanvoer. De New River Company verzorgde sinds 1631 de aanvoer van vers water richting London via een aquaduct met behulp van houten buizen. John Evelyn legt in zijn Sylva uit hoe die buizen gemaakt werden door op de lengteas in boomstammen een gat te boren.(2) Hay had een kleine kreek naast zijn brouwerij die waarschijnlijk dienst deed als opslagplaats voor de boomstammen. De werkplaats stond eerst bekend als Pipe-boarers’ Wharf, later werd dit Hay’s Dock.

Het uitboren van de boomstammen in John Evelyn, Sylva, 1670

Het uitboren van de boomstammen in John Evelyn, Sylva, 1670

In 1696 richtte Alexander’s zoon Joseph met enige van zijn werfburen een brandverzekeringsmaatschappij op om het financiele risico van brand, een altijd aanwezig gevaar bij de houten werkplaatsen, te spreiden. Ze noemden het ‘Contributors for Insuring Houses, Chambers or Rooms from Loss by Fire, by Amicable Contribution’, en het is Engelands oudste onderlinge brandverzekeringsmaatschappij met eigen brandweerlieden en brandweerwagens. Vanaf 1720 stond het bekend als de Hand-in-Hand Fire Office en nog later werd het opgenomen in Commercial Union, nu Aviva.(3)
Ergens aan het begin van de 18e eeuw, in de tijd van Alexander Hay, kleinzoon van de oprichter, kreeg de werf z’n huidige naam Hay’s Wharf. De werf werd steeds verder uitgebreid, maar de familie Hay deed de zaken zo langzamerhand over aan de Humpherys, de Smiths en de Magniacs, alhoewel de naam Hay’s Wharf behouden bleef. In 1856 werd het omsloten dok gebouwd onder leiding van Sir William Cubitt. Het werd vooral bekend om de klippers die er aanmeerden om ladingen te lossen afkomstig uit alle windstreken. Hay’s pionierde met koude opslag wat de kwaliteit van zuivelprodukten zoals Nieuw Zeelandse boter beslist ten goede kwam. Boter vormde een groot aandeel van Hay’s handel, maar er kwamen ook allerlei andere zaken in de magazijnen terecht. Richard Church noemt koffiebonen, iriswortel, negenentwintig soorten thee, geranium olie en pijnboomolie.(4) De werf werd herbouwd na de Southwark brand van 1861 en bleef uitbreiden en floreren tot de Tweede Wereldoorlog.

Reynolds's Miscellany 20 juli 1861

De brand, Reynolds’s Miscellany 20 juli 1861

Na de oorlog liep de handel terug, maar de buurt is nieuw leven ingeblazen als stadsvernieuwingsgebied met moderne woon- en kantoorvoorzieningen. Het dok zelf heeft monumentenstatus (Grade II) en is aan de rivierkant definitief afgesloten en in de jaren 80 voorzien van een vloer en een dak wat heeft geresulteerd in een spectaculaire overdekte ruimte, Hay’s Galleria, met een bronzen beeldhouwwerk in het midden. David Kemp’s ‘Navigators’, onthuld in 1987, is geïnspireerd door “the dockside neo-Victorian Architecture of Hays Galleria [… and] strongly prompted by Jules Verne’s stories”.(5) Het is een 20 meter hoog bronzen kinetisch werk dat een mengeling lijkt van een Viking oorlogsschip, een draak, een klipper, een verzameling stoombootpijpen, diverse andere scheepsattributen en veel water. Kemp is een kunstenaar en beeldhouwer die in Cornwall woont en die dingen maakt “out of things, big things, little things, old things and new things. I like to recycle things, and find new uses for things that have been thrown away. Some things say something about their surroundings, and other things become something else.”(6)

David Kemp, The Navigators

David Kemp, The Navigators


Hay's Galleria

Hay’s Galleria

Hay's Galleria informatiebord

Hay’s Galleria informatiebord

(1) De meeste informatie over de vroege geschiedenis van de werf komt uit Aytoun Ellis, Three Hundred Years on London River. The Hay’s Wharf Story 1651-1951 (1952).
(2) John Evelyn, Sylva, or, A discourse of forest-trees (1670), p. 175-176.
(3) Hay’s naam komt niet voor als een van de directeuren in de notulen van de eerste bijeenkomst, zie hier.
(4) “coffee-berries, orris-root, nine-and-twenty kinds of tea, geranium oil, and oil of pine”. Richard Church, ‘Hay’s Wharf (A Passacaglia)’ geciteerd uit Three Hundred Years on London River, p. 6.
(5) http://www.davidkemp.uk.com/blog/steam-punk.html
(6) Zie David Kemp’s website voor meer informatie over zijn werk.

Bunhill Fields: John Bunyan en zijn uitgever

Tags

, , , , , , ,

As I walk’d through the wilderness of this world,
I lighted on a certain place, where was a Denn:
& I laid me down in that place to sleep:
And as I slept I dreamed a Dream
(1)

De groene ruimte van Bunhill Fields is de laatste rustplaats voor zo’n 120.000 overledenen. Het gebied werd in de zestiende eeuw gebruikt om beenderen uit het veel te volle knekelhuis van St. Paul’s af te storten; de beenderen werden er simpelweg gedumpt en afgedekt met een laag grond. Er werden er zo veel gestort dat de verhoging een goede plek werd om windmolens neer te zetten in het verder vlakke moerassige landschap. In 1665, het jaar dat de pest door Londen raasde, besloten de stadsauthoriteiten om de grond te gaan gebruiken als algemene begraafplaats voor de pestslachtoffers, maar waarschijnlijk werd het daar toch niet voor gebruikt. Vanaf de zeventiende eeuw werd het een begraafplaats voor ‘dissenters’ (andersdenkenden en dan met name op religieus gebied) en een aantal bekende namen kunnen nog steeds gevonden worden op enkele van de grafstenenen en monumenten, zoals die van William Blake (1757–1827, John Bunyan (1628-1688), Susannah Wesley, de moeder van John en Charles de Methodisten (1669-1742), Isaac Watts (1674-1748) en Daniel Defoe (1661-1731). Zo veel nonconformisten kozen Bunhill Fields als hun laatste rustplaats dat Robert Southey het de “Campo Santo of the Dissenters” noemde.(2)

Bunhill Fields - Defoe

Bunhill Fields – Defoe


Bunhill Fields - Blake

Bunhill Fields – Blake


Bunhill Fields - Bunyan

Bunhill Fields – Bunyan

De laatste begrafenis vond plaats in 1854, maar het duurde nog tien jaar voordat de Bunhill Fields Burial Ground Act werd aangenomen (1867) waarin de City of London het recht verkreeg om het gebied te onderhouden als open ruimte. Na de Tweede Wereldoorlog, waarin veel schade was toegebracht aan de begraafplaats, werd het park opnieuw vormgegeven in de jaren 60 met een grasveld aan de noordkant en de grafstenen, velen met de tekst niet langer te ontcijferen, opgesteld in rijen aan de zuidkant.

Bunhill Fields Committee

Bunhill Fields Committee Report 1867

Als onderdeel van een poging om de grond een ‘designated open space’ verklaard te krijgen, verscheen in 1867 het rapport van de Bunhill Fields Committee waaraan een lijst van nog leesbare grafstenen was toegevoegd die gekopieerd was uit een bundel die in 1717 was verschenen (zie hier voor het e-book).

De meeste inscripties volgen het geijkte patroon, ‘die of die werd hier begraven op de [dag] van [maand] in het [jaar], oud [leeftijd] jaar’, maar sommige gaan veel verder. Een ontpopt zich zelfs tot een volledige biografie:

Here lyeth the Body of FRANCIS SMITH,
Bookseller, who in his youth was settled in a separate
Congregation, where he sustained, between the Years
of 1659 & 1688, great Persecution by imprisonments,
Exile, and large Fines laid on Ministers and Meeting-
Houses, and for printing and promoting Petitions
for calling of a Parliament, with several things
against Popery, and after near 40 Imprisonments, he
was fined 500l. for printing and selling the Speech
of a Noble Peer, and Three times Corporal Punish-
ment. For the said Fine, he was 5 Years Prisoner in
the King’s-Bench: His hard Duress there, utterly
impaired his health. He dyed House-keeper in the
Custom-House, December the 22d, 1691.

Dit klinkt bepaald niet gezellig, maar Francis Smith was dan ook een nogal controversieel persoon. Hij stond bekend als ‘Elephant’ Smith omdat zijn boekwinkel het uithangbord de “Elephant and Castle” had, vanaf 1659 te vinden “without Temple-Bar”, vanaf 1673 in Cornhill bij de Royal Exchange en vanaf 1688 in Pope’s Head Alley”. Hij was fanatiek doopsgezind en ook predikant in de Baptistenkerk. Verder publiceerde hij allerlei publicaties van radicale andersdenkenden wat hem vaak in moeilijkheden bracht of zelfs in de gevangenis. Hij was een van John Bunyans belangrijkste uitgevers in de periode 1660-1670, bijvoorbeeld van Sighs from Hell waar hij diverse edities van uitbracht.

J. Bunyan, Sighs from Hell

J. Bunyan, Sighs from Hell

Smith werd geregeld beschuldigd en opgepakt voor het uitgeven van opruiende lectuur, zowel op religieus als politiek gebied, maar hij werd ook geregeld vrijgesproken door een hem goedgezinde Whig jury. Desondanks, zoals het grafschrift al zegt, bracht hij diverse kortere of langere perioden door in de gevangenis. In 1681 werd zijn naam in verband gebracht met het drukken van Stephen College’s ballade A Ra-Ree Show, een publicatie die als bewijsmateriaal werd gebruikt in de rechtzaak tegen de auteur. College werd schuldig bevonden aan ‘treasonable talk and actions’ en ter dood veroordeeld. Smith ontvluchtte het land en zijn zaak werd voortgezet door zijn vrouw Eleanor en hun kinderen. In maart 1684 kwam Smith weer terug in Engeland en werd meteen gearresteerd en beboet met £500. Hij kon dat niet betalen en belandde wederom in het gevang tot hij in januari 1688 gratie kreeg. Na de Glorious Revolution diende hij een verzoekschrift in bij Koning Willem en werd hij aangesteld als bewaker in de haven van Londen, een functie die hij tot zijn dood in 1691 behield.(3)

(1) J. Bunyan, A Pilgrim’s Progress, 1678. Eerste regels.
(2) Robert Southey, Common-place Book, vol. 3 (1850), p. 161, no. 405.
(3) Beth Lynch, ‘Smith, Francis (d. 1691)’, Oxford Dictionary of National Biography, Oxford University Press, 2004; online edn, Jan 2008 [http://www.oxforddnb.com/view/article/39672, accessed 10 Nov 2012]

Meer informatie over locatie, openingstijden, etc. voor Bunhill Fields is hier te vinden.

Het huilende monument van Edward Cooke

Tags

, , ,


Veel toeristen wandelen langs de grote poort van St. Bartholomew-the-Great op de hoek van West Smithfield en Little Britain, wellicht onderweg naar de Victoriaanse Smithfield markt, maar weinigen zullen de moeite nemen om door de poort het pad te nemen naar de kerk. Wat nu een apart poortgebouw lijkt te zijn, was ooit de westelijke ingang van de kerk zelf. De kerk was onderdeel van het Augustijner klooster en een stuk groter dan het vandaag de dag is. In 1539 werd het schip van de kerk vernietigd na de opheffing van alle kloosters door Hendrik VIII. De rest van de kerk mocht blijven staan om als buurtkerk te fungeren en wat nu het pad van de poort naar de kerk is, was dus ooit – ongeveer – de zuidelijke zijbeuk van het schip.

Eenmaal binnen, weg van de drukte op straat, is het niet moeilijk je terug te wanen in het jaar 1652 toen het monument voor Edward Cooke werd geplaatst. Het wordt toegeschreven aan Thomas Burman (1617/18–1674)(1) en stond bekend als ‘weeping statue’, omdat de vochtigheid van de atmosfeer in het zachte marmer trok en van tijd tot tijd op wonderbaarlijke wijze weer vrijgegeven werd als ‘tranen’. Helaas, de Victorianen installeerden een radiator onder het monument wat het einde betekende van de vochtopnemende werking van het materiaal, dus vandaag de dag geen wonder meer.
Onderr de beeltenis is een tablet aangebracht met de tekst:

Hic inhvmatvm svccvbat, qvantvm terrestre: viri
Vere venerandi, Edwardi Cooke Philosophi
Apprime docti nec non Medici spectatissimi
Qvi tertio Idvs Avgvsti Anno Dom. 1652.
Annoq[ue] ætatis 39, certa resvrgendi spe
(vtinecesse) natvræ concessit.

Of in het Nederlands: Hier ligt begraven alles dat sterfelijk is van een waarlijk vereerd man, Edward Cooke, zowel een bijzonder geleerd filosoof als een aanzienlijk arts, die, op de derde ides [de 11de] van augustus A.D. 1652, en in het 39ste jaar van zijn leven, toegaf aan de natuur in de zekere hoop op een wederopstanding.(2)
Een tweede tekst op een tablet refereert aan het huilende effect van de steen:

Vnsluce yor briny floods, what can yee keepe
Yor eyes from teares, & see the marble weepe
Burst out for shame: or if yee find noe vent
For teares, yet stay, and see the stones relent.

Edward Cooke

Edward Cooke

Ondanks het feit dat Edward relatief jong kwam te overlijden, had hij al een flink aantal bezittingen vergaard. Hij had landerijen in Lincolnshire die hij gekregen had van zijn schoonvader Timothy Wade ten tijde van zijn huwelijk.(3) De gecombineerde wapenschilden van de Cooke en Wade families zijn te zien onder de plaat met de tekst over de waterafgevende kwaliteiten van het monument. Edward bezat een huis in Lime Street, waar hij waarschijnlijk zelf woonde, en hij had een huis in Friday Street dat verhuurd was.
He had ook aandelen in de ‘bills of Ireland’, een project van het Parlement van Oliver Cromwell om Ierland te verengelsen om zo de koppige Ieren die de Engelse heerschappij niet wilden accepteren onder controle te krijgen. Iedereen die aan het project meedeed zou land, landgoederen of landhuizen krijgen, afhankelijk van de ingelegde gelden, ook wel ‘adventures’ genoemd. De inleg begon in 1642, maar het duurde tot 1653 voordat er land werd uitgegeven, dus Edward Cooke heeft er zelf niet van kunnen profiteren. Hij had zijn aandelen in het project geërfd van zijn vader, ook een Edward, een apotheker die in 1644 overleden was, en van zijn broer John die later in datzelfde jaar overleed.(4) Edward Cooke senior had ook geïnvesteerd in de Massachusetts Company en zelfs zijn andere zoon Robert, die ook was opgeleid tot apotheker, naar de andere kant van de Atlantische Oceaan gestuurd. Edward senior had 100 pond geïnvesteerd waarvoor Robert het recht op, omgerekend, zo’n 300 ha land zou krijgen in de nieuwe kolonie.(5)

Edward werd op 14 november 1613 gedoopt in de kerk van St. Dionis Backchurch, en werd, zoals het monument in St. Barts al zegt, arts, consequent benoemd als ‘Doctor of Physick’ in de kerkregisters. J. Venn’s Alumni Cantabrigienses (1922) geeft zijn inschrijving als student van Sidney College, Cambridge op 22 oktober 1630 als hij 17 jaar is. Hij verkreeg zijn M.A. in 1638 en zijn M.D. in 1644. Tussen die twee diplomas in, gaat hij naar het buitenland – niet ongewoon voor een Engelsman in goede doen – om ervaring op te doen en zijn kennis te verbreden met studie aan een van de Europese universiteiten. We vinden Edward in Leiden waar hij zich op 1 juni 1639 laat inschrijven en in oktober 1641 in Padua.(6)

Edward sterft op 11 augustus 1652 en wordt de 14e begraven in St. Barts; hij laat een vrouw en twee kinderen na. Hij was op 9 december 1645 getrouwd met Mary Wade in de kerk van St. Helen Bishopsgate en er werden vier zonen uit dit huwelijk geboren, maar twee stierven jong.(7) Edward liet het grootste gedeelte van zijn bezittingen na aan zijn vrouw en bij haar dood aan zijn zonen, eerst aan Edward en als die voor zijn vrouw zou komen te overlijden aan Robert.

(1) http://www.churchmonumentssociety.org en A Biographical Dictionary of Sculptors in Britain, 1660-1851 (http://217.204.55.158/henrymoore/index.php)
(2) ‘Monuments, memorials and heraldry’, The records of St. Bartholomew’s priory [and] St. Bartholomew the Great, West Smithfield: volume 2 (1921), pp. 449-487.
(3) PROB 11/224/348.
(4) John Prendergast, Cromwellian Settlement of Ireland (1870) en John Pentland Mahaffey, Irish State Papers 1641 to 1659, vol. 4 (1903).
(5) Brieven van 1638 en 1649 van Edward Cooke aan John Wintrop in Collections of the Massachusetts Historical Society, 1863, pp. 381-384.
(6) Album studiosorum Academiae Lugduno Batavae MDLXXV-MDCCCLXXV, samengesteld door W.N. Du Rieu, 1875 en www.rcpe.ac.uk/library/read/people/english-students/
(7) Doop- en begraafregister van St. Helen’s Bishopsgate: doop 23 okt. 1646 Edward (begraven 21 nov. 1646); doop 16 nov. 1647 Edward; doop 19 feb. 1650 Timothy (begraven 12 aug. 1650); ook genoemd in het testament een zoon Robert, maar daar heb ik geen doopgegevens van gevonden.

Bishopsgate Library

Tags

, , ,

Bishopsgate Library daklicht
Bishopsgate Library is onderdeel van het Bishopsgate Institute dat in 1895 geopend werd en bedoeld was ter verheffing van het volk door middel van lezingen, tentoonstellingen en in het algemeen de bevordering van literatuur, wetenschap en kunsten.(1) Het instituut werd bekostigd door liefdadigheidsfondsen die de locale overheid van de parish of St Botolph without Bishopsgate gedurende vijf eeuwen had ontvangen. De eerwaarde William Rogers (1819-1896), predikant van St Botolph’s, geacht onderwijshervormer en voorstander van gratis bibliotheken, was de drijvende kracht achter het plan om Bishopsgate Institute op te richten. Het ontwerp was het resultaat van een ontwerpwedstrijd, gewonnen door Charles Harrison Townsend (1851-1928) die tot dan toe voornamelijk bekend was van zijn kerkrestauraties. Voor het ontwerp combineerde Townsend ideeën van de Arts and Crafts beweging met Art Nouveau invloeden en deed er ook nog maar wat elementen bij uit de Romaneske en Byzantijnse architectuur. In de loop der jaren zijn er diverse restauraties/herinrichtingen geweest, maar het ziet er nog steeds (of misschien moet je zeggen wederom) uit alsof de oorspronkelijke bouwvakkers het gebouw net hebben opgeleverd. Een informatiepaneel laat een tekening zien van de Grote Zaal uit de beginjaren en ik moet zeggen, veel is er niet veranderd.

Bishopsgate Institute, de Grote Zaal

Bishopsgate Institute, de Grote Zaal

Als je door de gang van de Grote Zaal naar de bibliotheek loopt, kun je nog steeds de originale groene geglazuurde tegels met hun decoratieve rand van bladeren bewonderen.

Bishopsgate Institute, tegels in de gang

Bishopsgate Institute, tegels in de gang

De bibliotheek is een tijdcapsule uit de Victoriaanse tijd met de eikenhouten boekenkasten en het glazen daklicht. Het daklicht is tweemaal vernield, eerst in de Tweede Wereldoorlog en nogmaals in april 1993 door een IRA bom, maar het is weer in volle glorie gerestaureerd.

Bishopsgate Library, daklicht

Bishopsgate Library, daklicht

Naast een overvloed aan materiaal betreffende de geschiedenis van Londen heeft de Bibliotheek ook materiaal over sociale en arbeidsgeschiedenis, vrijdenkerij en protestacties, maar sinds kort is de bibliotheek ook in het bezit van een aantal dioramas die voorheen in een kroeg stonden. Deze dioramas zijn, volgens het informatiebord van de bibliotheek, gemaakt voor The Bell Public House in Middlesex Street door de modelmaker Howard Karslake (1932-1995). Karslake was oorspronkelijk kartograaf voor de Royal Air Force en gespecialiseerd in het maken van schaalmodellen op basis van kaarten en is op en gegeven moment zijn eigen zaak in modellen begonnen. De dioramas die nu in de bibliotheek staan zijn gemaakt in 1972 in opdracht van Truman’s Brewery en stellen Petticoat Lane Market, Truman’s Brewery in Brick Lane en het interieur van The Bell aan het eind van de negentiende eeuw voor. Je kunt Karslakes eigen schaalmodellenzaak in een van de dioramas zien. De modellen werden begin 2012 ontdekt in de kelder van The Bell door Glyn Roberts, de huidige uitbater, en na restauratie zijn ze nu te zien in de bibliotheek.

Bishopsgate Library, Karslake diorama
Bishopsgate Library, Karslake diorama
Bishopsgate Library, Karslake diorama

Meer detailfoto’s zijn hier te bekijken.

(1) Informatie over het Instituut komt van hun website en het informatieblad dat tijdens de Open House London dagen werd verstrekt.

Filantroop George Peabody

Tags

, , ,

Peabody detail
Op 23 juli 1869 onthulde de Prince of Wales een standbeeld van George Peabody (1795-1869), de Amerikaanse handelsbankier en filantroop. Het beeld staat op de noordoostelijke hoek van de Royal Exchange in wat ooit de begraafplaats was van St. Benet Fink. Het beeld is ontworpen door William Wetmore Story (1819-1895), ook een Amerikaan die echter meestal in Rome verbleef. Story werd gekozen na een ontwerpwedstrijd en kreeg £2.300 voor het werk. Sir Benjamin Phillips, de voorzitter van de Peabody Memorial Committee zei bij de onthulling dat het beeld een symbool was van de dankbaarheid van het Engelse volk aan Peabody voor alles wat hij gedaan had voor de armen van Londen.

Standbeeld van Peabody

Standbeeld van Peabody


Ontwerper en beeldhouwer Story

Ontwerper en beeldhouwer Story

Onthulling van het standbeeld

Onthulling van het standbeeld
Bron: Illustrated London News, 31 juli 1869

Peabody werd geboren in New England in een tijd van snelle economische groei. Hij vergaarde zijn fortuin in Baltimore en deed veel om een spoorwegnet naar het Westen van Amerika van de grond te krijgen. In de Burgeroorlog vervulde hij de functie van onofficiële diplomaat ten behoeve van Lincoln, omdat hij voor afschaffing van de slavernij was. Na de oorlog doneerde hij grote sommen geld om een onderwijssysteem op te zetten in het Zuiden waar zwart en blank gebruik van konden maken. In plaat van het verzamelen van boeken, kunst of andere dingen om te bewaren voor persoonlijk plezier, gaf hij de voorkeur aan praktische filantropie als investering om wille van het plezier.(1)

Portret van Peabody

Portret van Peabody in de London Illustrated News, 20 November 1869

In 1837 verhuisde Peabody naar Londen waar hij zijn zaken voortzette alsmede zijn filantropische activiteiten voor degene die het in zijn ogen het meest nodig hadden. Hij kondigde de oprichting van het Peabody Donation Fund aan in een brief aan de Trustees die op woensdag 26 maart 1862 door The Times werd gepubliceerd. Het doel van de organisatie was “to relieve the poor and needy of this great city, and to promote their comfort and happiness”. Het fonds startte met £150.000, maar Peabody gaf bij leven en in een legaat nog meer, zodat toen in 1873 het legaat aan de trustees werd overhandigd, het kapitaal gegroeid was tot £500.000. De belangrijkste activiteit van het fonds was – en is nog steeds – het zorgen voor degelijke huizen. Het eerste Peabody huizenblok werd in 1864 geopend in Spitalfields.(2)
Helaas kon Peabody door ziekte niet aanwezig zijn bij de onthulling van zijn standbeeld. He was naar Amerka vertrokken, volgens de Illustrated Police News

“very unexpectedly, and without letting his departure to be known beyond a narrow circle of his friends. But the fact of his embarkation and of his extremely feeble health, found its way into the English journals, and soon came to the knowledge of her Majesty, who, with, that goodness of heart that has always characterised her […] gave immediate expression to her feelings in the following autograph note […] Windsor Caste, June 20, 1869: The Queen is very sorry that Mr. Peabody’s sudden departure has made it impossible for her to see him before he left England, and she is concerned to hear that he has gone in ill health. She now writes him a line to express her hope that he may return to this country quite recovered, and that she may have the opportunity of which she has now been deprived, of seeing him and offering him her personal thanks for all he has done for the people.”(3)

Gedenkplaat op 80 Euston Square

Bron: openplaques.com

Peabody kwam terug naar Engeland, maar niet in goede gezondheid en hij overleed op 4 november van dat jaar in het huis van Sir Curtis Lampson, 80 Eaton Square, waar een gedenkplaat op de muur te zien is.

Het was zijn wens begraven te worden in de graftombe die hij voor zijn moeder had laten bouwen in Danvers, maar dat kon pas plaats vinden nadat er een dienst was gehouden in Westminster Abbey waarbij vertegenwoordigers van de Amerikaanse regering, de minister-president en de minister van buitenlandse zaken aanwezig waren. De begrafenisstoet bevatte ook rouwkoetsen van de koningin en de kroonprins. Peabody’s stoffelijke resten werden de 26ste overgebracht naar de H.M.S. Monarch om naar de U.S. gebracht te worden. De meeste kranten berichtten over de dood van Peabody, maar de Illustrated Police News en de Illustrated London News voegden ook een illustratie toe van de dienst in Westminster Abbey.

Illustrated Police News 20 nov. 1869 voorpagina

Illustrated Police News, 20 november 1869, voorpagina


Illustrated London News

Illustrated London News, 20 november 1869

Peabody’s naam kan nog steeds gevonden worden in combinatie met diverse sociale en filantropische activiteiten, zowel in London als in Amerika, die bekend zijn onder diverse benamingen alhoewel alle vallende onder de Peabody organisatie, nu simpelweg bekend als Peabody: Peabody Dwellings, Peabody Estate, Peabody Buildings, Peabody Trust, Peabody Institute, Peabody Academy, Peabody Museum, Peabody Library en de Peabody Conservatoire.

Met dank aan Christine Wagg van Peabody voor haar commentaar.
(1) Illustrated London News, 20 november 1869.
(2) De website van de Peabody organisatie kan hier gevonden worden.
(3) The Illustrated Police News, afl. 285, Zaterdag 31 juli 1869.

Daily Express

Tags

, , , , ,

Daily Express detail
In 1932 werd op 120 Fleet Street een fonkelnieuw art-deco gebouw geopend als nieuwe behuizing voor de drukkerij en kantoren van de Daily Express.

Daily Express
William Maxwell (Max) Aitken, 1st Baron Beaverbrook (1879-1964), de eigenaart van de krant, had de architecten Ellis en Clarke opdracht gegeven om het bestaande Daily Express gebouw uit te breiden richting Fleet Street. Er onstonden complicaties met het oorspronkelijke plan aangezien de drukkerij in één grote ruimte moest komen in de kelder die onder het oude en het nieuwe gebouw doorliep. Sir Evan Owen Williams (1890-1969), van oorsprong een vliegtuigontwerper die naam had gemaakt met de betonnen constructies voor de Wembley Tentoonstelling van 1924, werd erbij gehaald om de problemen op te lossen. Met behulp van zijn bouwkundige kennis werd er een ernorme betonnen doos geconstrueerd waar de drukkerij in gehuisvest kon worden en die tevens het water tegenhield dat het gebouw in dreigde te sijpelen.
De buitenkant van het gebouw was in het oorspronkelijke plan bekleed met Portland steen, maar werd opnieuw ontworpen en is nu bekleed met zwarte glazen panelen onderbroken door chromen strips. De westelijke hoek van het gebouw was afgerond en bij de recente verbouwing is ook de oostelijke hoek op eenzelfde manier afgerond. De brede inging met het chromen afdak leidt naar de hal die ontworpen werd door Robert Atkinson (1883-1952). Aan de zijmuren bevinden zich twee enorme gipsen reliëfs ontworpen door de beeldhouwer Eric Aumonier (1899-1974) genaamd ‘Britain’ en ‘Empire’. Aumonier was afkomstig uit een artistieke Hugenotenfamilie die de Poitou region van Frankrijk ontvluchtte na de Herroeping van het Edict van Nantes (1685). Erics vader, William (1869-1943) had ook als beeldhouwer naam gemaakt en zijn grootvader, ook een William (1839-1914) bezat een zeer succesvolle firma gespecialiseerd in architectonisch beeldhouwwerk in New Inn Yard, Tottenham Court Road.(1)

Daily Express detail

Daily Express reliëf detail

Gelijksoortige gebouwen als die in Londen, ook bekleed met zwart glas, werden door de Daily Express geopend in Glasgow (1937) en Manchester (1939).
De krant verliet het Londense gebouw in de late jaren 80 van de 20e eeuw en het stond daarna enkele jaren leeg. Gelukkig heeft de huidige eigenaar het culturele verstand gehad om de hal in al zijn glorie te herstellen als de “Byzantine vestibule and Sassanian lounge of Copper House” die de protagonist van Evelyn Waugh’s Scoop, William Boot, zo shockeerden. De sensationele ontvangsthal, maar dan minus de “chrys-elephantine effigy of Lord Copper in coronation robes”(2) kan nu bezichtigd worden op Open House London dagen.(3)

Daily Express reliëf ‘Britain’


Daily Express reliëf 'Empire'

Daily Express reliëf ‘Empire’


(1) J.C. Aumonier, “Aumônier: a Huguenot family from Haut-Poitou” in Proceedings of the Huguenot Society of London, vol. 18 (1947-1952), pp. 311-324; ‘William Aumonier Junior’ en ‘William Aumonier Senior’, Mapping the Practice and Profession of Sculpture in Britain and Ireland 1851-1951, University of Glasgow History of Art and HATII, online database 2011
(2) Evelyn Waugh, Scoop, 1938, pp. 29-30. Waugh werkte kortstondig bij de Daily Express in 1927.
(3) De meeste informatie in dit blog, behalve die over de Aumonier familie, is afkomstig van het informatieblad samengesteld door openhouselondon.org.uk.

St. Katherine Docks

Tags

, , ,

St. Katherine Docks detail

“Whither, O splendid ship” is de openingszin van Virginia Woolfs essay The Docks of London waarin ze beschrijft wat een schip dat de rivier de Thames opvaart richting Londen zou zien: lijn- en stoomboten, vervallen pakhuizen, behang- en zeepfabrieken, kranen en afvalboten.(1) Al deze bedrijvigheid nam alleen maar toe door de eeuwen heen en meer ruimte was nodig om de veelheid van schepen die hun waren van over de hele wereld naar de stad brachten te faciliteren. Complete buurten werden platgewalst om ruimte te maken voor de nieuwe havens en pakhuizen, of zoals Joseph Conrad het formuleerde, “when the trade had grown too big for the river came the St. Katherine’s Docks and the London Docks, magnificent undertakings answering to the need of time.”(2)
St. Katherine Docks

St. Katherine Docks komt aan haar naam van St Katharine’s by the Tower (volledige naam: Royal Hospital and Collegiate Church of St. Katharine by the Tower), een middeleeuwse kerk en hospitaal naast de Tower of London. het werd in 1148 opgericht en groeide uit tot een heel dorp voornamelijk bewoond door ‘armelui’. Het hospitaal en zo’n 1250 huizen moesten gesloopt worden in 1825 om plaats te maken voor het nieuwe havenkwartier. Waar de armen heen gingen is onduidelijk en niemand vond het nodig hen compensatie te geven; dat ging alleen naar de huiseigenaren.

St. Katherine by the Tower

St. Katherine by the Tower
Bron: Wikipedia

De haven was ontworpen door Thomas Telford in de vorm van twee geschakelde basins, de Oost en West Havens, toegankelijk vanaf de Thames via een sluis en een centraal basin. De grond die uitgegraven was, werd gebruikt voor het ophogen tot hetzelfde niveau als Pimlico van een gedeelte van Vauxhall Bridge Road waar ooit de Neathouse Gardens te vinden waren en voor de drooggemaakte reservoirs van de Chelsea Waterworks Company ten westen van Tothill Fields.(3) de haven werd officieel geopend op 25 oktober 1828.

St. Katherine Docks in 1828

St. Katherine Docks in 1828
Bron: Wikipedia

Conrad beschrijft hoe een aankomend zeeman zich naar St. Katherine Docks moest begeven om geëxamineerd te worden voor stuurman.

At that time the Marine Board examinations took place at the St. Katherine’s Dock House on Tower Hill, and he informed us that he had a special affection for the view of that historic locality, with the Gardens to the left, the front of the Mint to the right, the miserable tumble-down little houses farther away, a cabstand, boot-blacks squatting on the edge of the pavement and a pair of big policemen gazing with an air of superiority at the doors of the Black Horse public-house across the road. This was the part of the world, he said, his eyes first took notice of, on the finest day of his life. He had emerged from the main entrance of St. Katherine’s Dock House a full-fledged second mate after the hottest time of his life with Captain R-, the most dreaded of the three seamanship Examiners who at the time were responsible for the merchant service officers qualifying in the Port of London.(4)

Juni 1846 was een zeer hete maand geweest zoals te lezen valt in Alathea Hayter’s A sultry month. Scenes of London Literary Life in 1846 en een krant van de 18de van die maand beschrijft de gevolgen en geeft een voorbeeld van de zaken die zoal gelost werden op de kades van St. Katherine Docks.

– The heat was so intense during the Fête Champêtre at Sion-house, on Tuesday, that many of the guests suffered severely from its effects, and looked as jaded on their return as if they had been haymaking instead of merry-making, or as post-horses on the evening of the Derby-day.
– A further arrival of Ice has taken place from the United States of America. A ship named the Ilizaide has arrived in the St. Katherine’s Docks from Boston with an entire cargo, 664 tons weight of the article. The article is in large blocks, and in an excellent state of preservation. (5)

De iconische Dickens Inn op de havenkade is een opnieuw opgebouwd houten pakhuis dat mogelijk al sinds de 18e eeuw bestaat. het originele gebouw stond een stukje verder naar het oosten dan het huidige gebouw and was bekleed met baksteen om beter te passen bij de pakuizen van Telford. Toen die oorspronkelijke plek nodig was voor weer een nieuw bouwproject in de jaren 70 van de twintigste eeuw werd het originele houten skelet van het gebouw ontdekt. Het gebouw werd gered van de ondergang en opnieuw opgebouwd op de huidige locatie.

Dickens Inn

Dickens Inn

De officiele website van de haven kan hier bekeken worden en die van de Inn hier.

(1) Virginia Woolf, ‘The Docks of London’ in The London Scene: Five Essays [1975], pp. 7-15.
(2) Joseph Conrad, ‘London’s River’ in The London Magazine, vol. 16 (1906), p. 488
(3) H.B. Wheatley, London Past and Present, vol. 3 (1891), pp. 426 and 523.
(4) Joseph Conrad, Chance (1914; rprt 2002), p.8.
(5) London Daily News, Donderdag 18 juni 1846.

Koning Lud

Tags

, , ,

Sandal of King Lud's son
Dit kittige sandaaltje behoort toe aan een van de zonen van Koning Lud wiens standbeeld ooit stond op Ludgate, de westelijke ingang van de City. Ludgate werd in 1586 gebouwd nadat eerdere versies van de stadspoort de tand des tijds niet hadden doorstaan. Het moest nogmaals herbouwd worden na de Grote Brand van 1666, maar werd in 1760 definitief neergehaald. Volgens Thomas Pennant werden de resten verkocht voor 148 pond, waarbij de koper de rommel op moest ruimen.(1) Het standbeeld van Lud en zijn zonen Androgeus en Theomantius (ook wel Tenvantius genoemd) stond ooit bovenop de poort aan de oostzijde, terwijl koningin Elizabeth I de westkant bewaakte. Toen de poort werd gesloopt, zijn de beelden overgebracht naar St. Dunstan–in-the-West in Fleet Street waar ze nog staan op een klein binnenplaatsje. Toen ik daar in September rondliep, was Elizabeth verpakt in houten schotten om haar te beschermen tegen het onderhoudswerk dat aan de gang was, maar de Gentle Author heeft recent een oude foto geplaatst op zijn blog Spitalfields Life waar het standbeeld op te zien is.

Elizabeth I in S. Dunstan-in-the-West

Elizabeth I in St. Dunstan-in-the-West
Source: spitalfieldslife.com

Aangezien Lud beschermd wordt door het portiek was hij niet ingepakt en kon nog steeds bekeken worden. Alhoewel een van de zonen een sandaal aan zijn voet had, mist de familie diverse andere voeten, en ook met armen zijn ze slecht bedeeld; de eeuwen hebben hun tol geëist.

Koning Lud en zijn zonen in het portiek van St. Dunstan-in-the-West

Koning Lud en zijn zonen in het portiek van St. Dunstan-in-the-West

De naam van de poort leeft nog voort in Ludgate Hill, maar de link met Koning Lud, een Keltische vorst die het land regeerde voordat de Romeinen er arriveerden, is zo goed als zeker apocrief en afkomstig van Geoffrey van Monmouth (twaalfde eeuw) en herhaald door John Stow in zijn Survey aan het eind van de zestiende eeuw.(2) Richard Verstegan had zijn eigen reden om King Lud te schrappen als naamgever voor de poort aangezien, volgens hem “it could never of Lud be called Ludgate, because gate is no British word, & had it taken name of Lud it must have bin Ludporth, and not Ludgate”.(3) Wat de taalkundige waarheid van die uitspraak ook moge zijn, tegenwoordig wordt de oorsprong van de naam toegeschreven aan het Oud Engelse ‘hlidgeat’, ‘klaphek’.

Ludgate uit Stow's Survey 1733 editie

Ludgate uit Stow’s Survey (1733 editie)

Ludgate Prison werd in 1378 opengesteld in het poortgebouw voor gevangenen schuldig aan lichte vergrijpen zoals het niet betalen van schulden; voor zware vergrijpen ging je naar Newgate prison. Deze schuldenaars waren zelfs debet aan het nu niet meer gebruikte woord Ludgathians.(4) In 1712 werd een curieus boekwerkje uitgegeven met de naam The Present State of the Prison of Ludgate. Naar typisch zeventiende en achttiende eeuws gebruik was de titelpagina nogal breedsprakig in het uiteenzetten van het doel van het werkje, nl. “Fully discovering all its customs, privileges, and advantages, whereby it exceeds all other prisons, and particularly shewing what treatment the prisoners meet with from their first entrance to their discharge”. En of dat nog niet genoeg was, gaat de auteur nog even door met “useful remarks and pertinent observations on the former state thereof. Interspers’d with divers pleasant relations of the humours of the prisoners … Together with an account of divers impositions and innovations lately introduc’d”. En dat allemaal om te laten zien dat “imprisonment is not so exceeding dreadful as some imagine”. Dit komt echter in het geheel niet overeen met wat Pennant later die eeuw opmerkte over de gevangenis, “a wretched prison for debtors”.(5) De auteur van het boekje blijft anoniem en gebruikte slechts het pseudoniem ‘Philopolites’ om de dedicatie de ondertekenen, maar het is zeker een verdediging tegen beschuldigingen dat niet alles was zoals het behoorde te zijn in de gevangenis en dat de gevangenen uitgebuit werden. Gevangenen – en bedenk dat ze er voor schulden zaten – moesten voor van alles en nog wat betalen: voor lakens, voor lampen en kaarsen en voor eten, maar, volgens Philopolites, werd alles volgens de regels gedaan en keurig verantwoord in de boeken. Zoals Shakespeare al zei, ‘De dame [in dit geval waarschijnlijk de heer] protesteert te veel’.
Het hele boekje kan hier worden nagelezen.

(1) Thomas Pennant, Some Account of London (1790; 5de ed. 1813), p. 318.
(2) Geoffrey of Monmouth, Historia Regum Britanniae (±1136); John Stow, A Survey of London (1598).
(3) Richard Verstegan, A Restitution of Decayed Intelligence in antiquities (1634), p. 136.
(4) Ben Jonson, The comicall satyre of euery man out of his humor, (1600) ongepagineerd, katernsignatuur C4v “Alwaies beware you commerce not with bankrupts, or poore needie Ludgathians”.
(5) Thomas Pennant, Some Account of London (1790; 5de ed. 1813), p. 319.

Magpie Alley

Tags

, ,

Magpie Alley detail of c. 1550 map
Fleet Street is genoemd naar de rivier de Fleet die loopt van Hampstead Heath naar de Thames, alhoewel voor het grootste gedeelte ondergronds aangezien het water in de loop der eeuwen zo vervuild raakte en dichtslibde dat er niet meer op gevaren kon worden. In de achttiende eeuw werd de rivier in stukken overkluisd, behalve het eerste gedeelte op Hampstead Heath, zodat de waterloop nu bijna nergens meer te zien is. Fleet Street en het gebied eromheen wordt al geassocieerd met boekhandel en uitgeverij sinds Wynkyn de Worde, William Caxtons leerjongen, zijn eigen zaak begon nabij Shoe Lane onder het uithangbord ‘The Sun’,in het jaar 1500 of 1501.

Wynkyn de Worde's device

Wynkyn de Worde’s drukkersmerk
Source: www.martinfrost.ws

Meer drukkers en boekverkopers volgden en vanaf 1702 ook de kranten, te beginnen met de Daily Courant, gevolgd door, onder andere, de Morning Advertiser, de Daily Telegraph, en de Daily Express. In Bouverie Street, die van Fleet Street naar de Thames loopt, was enige tijd de News of the World gevestigd. De kranten zijn nu allemaal uit de City vertrokken naar grotere panden op de Isle of Dogs of in Wapping, maar een herinnering aan de drukte van die uitgeversdagen is te vinden in Magpie Alley.

Je moet even van de gebaande paden af, maar het is zeker de moeite waard er eens te gaan kijken. Ga vanaf Fleet Street Bouverie Street (tegenover nummer 160, Bouverie House) in en loop richting de rivier. Kijk ook eens in de verte naar het OXO-gebouw aan de overkant van de rivier. Let op: Magpie Alley is een klein steegje aan je linkerhand.

Magpie Alley entrance (from Google Maps)

Ingang van Magpie Alley (Google Maps)

De steeg loopt naar Whitefriars crypt waar ik een andere keer meer over zal vertellen, maar nu wil ik je iets laten zien van de betegelde muur in de steeg zelf die het verhaal vertelt van de relatie die Fleet Street vele eeuwen gehad heeft met de wereld van de uitgeverij en boekhandel.

Magpie Alley
Magpie Alley
Magpie Alley
Magpie Alley
Magpie Alley
Magpie Alley
Magpie Alley

Alan Brooke heeft een boekje geschreven met nog veel meer informatie over de straat: Fleet Street. The Story of a Street (2010).